Bij het onderdeel “Schrijfprompt” laat ik me overal en nergens inspireren om een schrijfprompt te creëren, die ik vervolgens gebruik om er een kort verhaal van te schrijven. Meedoen? Gebruik de prompt en werk je eigen verhaal uit!
De prompt van deze keer: Een bos. Onweer. Een oud, verlaten landhuis is de enige plaats om te schuilen…
Je leest dit verhaal het beste als pdf – dat kan hier: DOWNLOAD HET VERHAAL

Geen zin om te downloaden? Hieronder vind je het verhaal ook – maar enkele opmaakmogelijkheden (zoals inspringen) zijn lastig op deze website.
Schrijfprompt: Verlaten landhuis
‘Hallo?’ Ilse duwde de deur een stukje verder open. Dat ging lastig; het was een oude deur die krakend en met tegenzin meebewoog. ‘Halloooo? Is er iemand thui…’
Een donderklap die zo hard was dat Ilse de deur in haar handen voelde trillen, zorgde ervoor dat haar laatste woord verloren ging. Ze slaakte een kreet en sprong naar binnen. Haar hart bonkte in haar keel. Het bos werd kortstondig verlicht door snelle bliksemflitsen, meerdere, vlak achter elkaar. Opnieuw rolde de donder door de lucht. Dit keer iets minder hard, maar net zo akelig.
‘Laat mij er ook in of zo!’ Ralf wrong zich langs Ilse en deed precies hetzelfde als zij: hij draaide zich meteen om en keek naar buiten. Ralf haalde opgelucht adem en wreef door zijn drijfnatte haar. ‘Wat een kutweer, zeg.’
Normaal zou ze iets over zijn taalgebruik hebben gezegd. Nu niet. Hij had gelijk, het was gewoon kutweer.
Ilse keek op haar mobiel. Ze lachte ongelovig en hield het apparaat omhoog, zodat Ralf het kon zien. ‘Droog, de hele week…’
‘Euh, schat, je bent volgens mij vergeten op te laden.’
‘Wat?’ Ze staarde naar een zwart scherm. Wat ze ook deed, haar telefoon was met geen mogelijkheid meer aan te krijgen. ‘Net was hij nog vol!’
Ralf frunnikte aan zijn eigen mobiel en bromde wat. Bruusk stak hij de telefoon in zijn broekzak. ‘Mijne is ook leeg.’
‘Hoe kan dat nou!’
‘Weet ik veel, door het onweer of zo!’
Ilse wilde daar een nijdig antwoord op geven, alleen wist ze niet wat ze dan kon zeggen. Ralf duwde de deur dicht en sloot daarmee het lawaai van stortregen en harde donderklappen grotendeels buiten.
‘Hallo?’ riep hij keihard. ‘Is er iemand thuis?’ Zijn stem echode in de hoge, verlaten hal.
Rillend wrong Ilse haar shirt uit. Ze liet een behoorlijke plas achter op de houten vloer.
‘Wat een oude zooi,’ mompelde Ralf.
Nu keek Ilse pas goed om zich heen. Door stoffige, kleine raampjes viel wat spaarzaam daglicht naar binnen. De hal werd gedomineerd door een grote trap naar boven. Het kale hout van de treden was versleten en de leuning hing aan één kant gevaarlijk schuin naar achteren. Het plafond was hoog en er hing een oude kroonluchter aan waar resten stompkaarsen in stonden. Spinnenrag bungelde tussen de kroonluchter en de muur, slierten van enkele meters lang. Ilse wilde niet nadenken over de spin die dat had gemaakt.
‘Hé…’ Ralf liep ineens naar een tafeltje dat tegen een muur stond. Hij rommelde in een lade, slaakte een triomfantelijk kreetje en stak een stokoude gaslamp aan die hij daar blijkbaar had gevonden. Hij draaide zich om, met de lamp in zijn hand. Het gele licht zorgde ervoor dat zijn blijde grijns een maniakale uitstraling kreeg. ‘En er was licht!’ grapte hij.
‘Zo donker is het niet,’ zei Ilse.
‘Het ziet er niet uit alsof hier iemand woont. Wil je rondkijken?’
‘Misschien is de eigenaar gewoon op vakantie. En dat er niemand woont, wil niet zeggen dat we maar moeten inbreken.’
‘Dat hebben we al gedaan.’
‘Ik wil gewoon wachten tot het droog is en dan terug naar de camping lopen. Zo’n bui is meestal kort.’
Aarzelend hief Ralf zijn lamp. Hij liep richting de trap. Ergens op de bovenverdieping sloeg een deur dicht, waarop Ralf achteruitdeinsde. ‘Jezus. Ik schrik me lam.’ Hij haalde diep adem om nog eens te roepen, maar Ilse stond ineens naast hem en legde een hand op zijn arm.
‘Doe maar niet.’
‘Hè? Hoezo? Zei jij niet dat je niet wilde inbreken?’
‘Kijk jij geen films?’
Ralf schoot in de lach. ‘Niet zoveel als jij, blijkbaar!’ Maar al snel hield hij op met lachen toen hij de strakke trekken bij Ilse zag. ‘Je meent het.’
‘Je mag me uitlachen. Als we ons huisje weer zien.’
Een felle bliksemflits zette heel even de hal volledig in het licht. In die korte tijd was het goed te zien hoe belabberd alles erbij stond. Enkele traptreden waren gebarsten, de massieve kroonluchter boven hun hoofd hing scheef en de deur die zij hadden gebruikt om binnen te komen, had diepe sporen in een flinke laag stof achtergelaten. Onder het stof waren vegen te zien. Donkere vegen.
‘Misschien heb je gelijk,’ zei Ralf. Hij keerde de trap zijn rug toe en liep naar een van de kleine raampjes. Daar bleef hij staan. Hij keek naar buiten en wachtte.
Ilse haalde opgelucht adem. Vanuit haar ooghoek meende ze een beweging te zien. Toen ze keek, zag ze niets. Snel ging ze naar Ralf. Hij sloeg zijn arm om haar heen toen ze bij hem kwam staan.
De bui duurde uiteindelijk niet lang. Toen het steeds langer duurde voordat de donder de bliksem opvolgde, verlieten Ralf en Ilse het grote huis in het bos. Rillend van de kou en gehaast zochten ze hun weg terug naar de camping.
In het landhuis sprong de gaslamp, die Ralf zorgvuldig uitgedraaid had, uit zichzelf terug aan. De voordeur opende zich op een kiertje. Op de bovenverdieping klonk het geluid van een oude piano die een vrolijk deuntje speelde. De plasjes water die Ralf en Ilse hadden achtergelaten, maakten vlekken op de houten vloer in de hal.
