In de serie “scène uitgelegd” nemen we steeds een ander fragment uit een van mijn boeken onder de loep. Wat gebeurt er? Wat kun je uit de tekst halen? Waarom heb ik dat zo opgeschreven?
Dit keer een fragment uit Galavina, uit hoofdstuk 1, paragraaf 3.
Op het moment dat Serland de dolk aannam, was het alsof er iets in Vesaljev veranderde. Iets in zijn kern. Vesaljev bekleedde de hoogste positie in de krijgsmacht van Fréyutan, de enige die hem bevelen kon geven was de koning. Serland was al jaren geen actieve militair meer, strikt gezien was hij Vesaljevs ondergeschikte – en toch was er dat gevoel dat Vesaljev altijd al bij hem had gekregen. Het gevoel dat Serland een sluimerende kracht in zich had, dat hij nooit liet zien wie hij werkelijk was. Vesaljev had zich nooit zijn meerdere gevoeld.
‘Stel me alsjeblieft geen vragen,’ zei Serland. ‘Ik denk namelijk niet dat ik ze kan beantwoorden.’
Hoe meer hij zei, hoe minder Vesaljev ervan begreep. ‘Ik ben vaker door iemand geheimhouder gemaakt,’ zei hij.
Daar gaf Serland geen antwoord op. Hij keek Vesaljev slechts aan.
In het licht van de olielampen leken zijn ogen bijna groen te zijn en ze glinsterden als edelstenen. Het was geen warme glinstering. Het was een koude, harde glans, een pantser voor zijn emoties. Het pantser van een vechter. Een woord kroop door Vesaljevs gedachten: rigtysa. Het woord dat in het Lan’gada vechter betekende. Een ander woord wilde zich daaraan vastbijten, maar dat tweede woord ontglipte hem. Sireyla, Reiziger – dat kwam niet in hem op. Nog niet.
Voordat Serland met pensioen ging, was hij generaal in het Fréyutaanse leger. Hoewel dat een hoge functie was, staat elk Gardelid boven militairen uit het leger. Vesaljev heeft dan ook strikt gezien een veel hogere rang dan Serland ooit heeft gehad, maar zo voelt Vesaljev dat niet. Hij kijkt op tegen zijn schoonvader. Al vanaf hun eerste ontmoeting heeft Vesaljev het gevoel gehad dat Serland geen gewone, doorsnee man was.
In deze scène maakt Serland Vesaljev geheimhouder van een heleboel geheimen. Daar zegt Serland wel bij dat Vesaljev beter geen vragen kan stellen. Dat is nogal wat, als je erover nadenkt: Vesaljev is de commandant van de Koninklijke Garde en Serland gaat hem met zware magie bestoken zonder dat hij een fatsoenlijke uitleg geeft. Toch gaat Vesaljev ermee akkoord. Deels is hij waarschijnlijk nieuwsgierig (wie zou dat niet zijn?) maar een groter deel van hem heeft gewoon veel respect voor Serland. Ze vertrouwen elkaar.
Vesaljev kent Serland vooral als een vriendelijke man. De vechterskant van hem heeft hij nooit te zien gekregen. Nu ze zo bij elkaar staan en bezig zijn met iets wat intens en ingrijpend is (het gaat om magie die zich in je kern vastzet) krijgt Vesaljev voor het eerst echt een andere kant van Serland te zien. Een glimp van de vechter die in Serland verstopt zit. Het is misschien maar goed dat het bij die glimp blijft…
Let ook op de laatste zinnen in dit fragment. Heb jij Galavina al gelezen? Dan weet je inmiddels wat het belang is van het woord dat Vesaljev bijna denkt. Hij voelt feilloos aan dat Serland in zijn hart een echte vechter is. Maar wat hij nog meer is? Of hij nog meer is? Dat kan Vesaljev op dat moment letterlijk nog niet bedenken.
Meer weten over Galavina? Kijk dan eens hier: De Koninklijke Garde

