Scène uitgelegd: Oragayn | Bezoek

In de serie “scène uitgelegd” nemen we steeds een ander fragment uit een van mijn boeken onder de loep. Wat gebeurt er? Wat kun je uit de tekst halen? Waarom heb ik dat zo opgeschreven?

Deze keer een fragment uit Oragayn (hoofdstuk 1, paragraaf 3).

Een klop op de kamerdeur haalde hem uit zijn overpeinzingen. Gardesergeant Rymus Ikairon, een breedgeschouderde man met donker haar, kwam binnen en salueerde.

‘Sergeant Ikairon meldt zich, kolonel.’

William keek hem even aan. Rymus ademde snel, alsof hij had gerend, en zijn goudgele ogen – de ogen van een elf; geen oogwit, altijd die goudkleurige gloed – haakten zich in de zijne. Na enkele seconden was het Rymus die zijn blik afwendde en strak voor zich uit keek.

William likte over zijn lippen. ‘Er is bezoek voor je,’ zei hij. ‘Familie. Normaal haal ik iemand niet van zijn post omdat er een familielid opduikt. In jouw geval lijkt het me dringend, anders waren ze hier niet.’

‘Mag ik vragen wie, kolonel?’

‘Je ouders.’

Rymus’ gezicht verstrakte. ‘Ik heb hen niets te zeggen.’

‘Nee, maar zij jou wel. Ze vroegen specifiek naar jou. Ze zeggen dat ze aangifte willen doen, maar weigeren het aan iemand anders uit te leggen.’

‘Garde is Garde, heer. Als ze aangifte willen doen…’

William ging pal voor hem staan. Hij was langer. Hij was altijd langer dan een ander, hij kon weleens de grootste man in het land zijn. Opzettelijk keek hij neer op Rymus. ‘Sergeant, iemand wil een misdaad aangeven. Als jouw persoonlijke afkeer van de melder in de weg staat, waardoor een misdadiger de dans kan ontspringen, dan ben je het uniform niet waardig. Je staat ze te woord. Duidelijk?’

‘Ja, kolonel,’ zei Rymus, maar het goudgeel van zijn ogen schoot vuur.

‘Je eed verplicht je eerst aan het belang van een ander te denken.’

‘Ja, kolonel.’

‘Plaats rust. Ik stuur ze hierheen. En Rymus,’ voegde William nog toe, met zijn hand op de deurklink, ‘ik heb geen behoefte aan zelfzuchtigen in mijn eenheid.’

‘Dat is niet de indruk die ik u…’

‘Dat was alles,’ kapte William hem af. Hij verliet de kamer.

In dit fragment vertelt William aan Rymus dat er bezoek voor hem is. Het zijn de ouders van Rymus. Voor ieder ander is dat waarschijnlijk helemaal niet zo bijzonder, maar Rymus heeft – op zijn zachtst gezegd – een moeilijk verleden met zijn vader en moeder. Daar is William van op de hoogte.

Het liefst zou Rymus ze onverrichter zake wegsturen: zijn gezicht verstrakt (alsof hij zich schrap zet) en hij geeft aan dat hij ze niet wil spreken (“Ik heb hen niets te zeggen”). William, op zijn beurt, heeft door dat het om iets belangrijks moet gaan en hij weigert genoegen te nemen met de aanvankelijke weerstand van Rymus.

Hoewel William duidelijk op zijn strepen gaat staan hier, kun je zien dat ook hij zich niet helemaal happy voelt met deze situatie; eerst likt hij over zijn lippen, zodat hij nét even wat meer tijd heeft om zich voor te bereiden, later is hij heel stellig en duidelijk. Rymus mág niet weigeren, al zou hij dat graag willen, maar in plaats van dat vriendelijk te melden, geeft William hem meteen een veeg uit de pan. Immers: als Rymus door zijn eigen problemen een misdadiger laat wegkomen, is hij het uniform niet waard, volgens William.

Het is net alsof William hier alleen de strikte kolonel uithangt, maar in werkelijkheid speelt ook mee dat hij echt wel begrip kan opbrengen voor Rymus’ gevoelens. Ze zijn echter allebei Gardelid en als het om misdaden gaat, mogen ze hun persoonlijke sores niet in de weg laten staan van hun werk. William vlucht zo ongeveer de kamer uit. Hij wil het maar achter de rug hebben. En Rymus? Die zal zich erbij moeten neerleggen dat hij zijn ouders te woord moet staan.


Meer weten over Oragayn? Kijk dan eens hier: De Koninklijke Garde