Bij het onderdeel “Schrijfprompt” laat ik me overal en nergens inspireren om een schrijfprompt te creëren, die ik vervolgens gebruik om er een kort verhaal van te schrijven. Meedoen? Gebruik de prompt en werk je eigen verhaal uit!
De prompt van deze keer: Er ligt een lijk in het water. Twee mensen vinden het. Maar een van die twee is de moordenaar…
Je leest dit verhaal het beste als pdf – dat kan hier: DOWNLOAD HET VERHAAL

Geen zin om te downloaden? Hieronder vind je het verhaal ook – maar enkele opmaakmogelijkheden (zoals inspringen) zijn lastig op deze website.
Schrijfprompt: Watergraf
Susanne gooide haar net uit en vloekte toen het ergens achter bleef haken.
‘Niet zo hard!’ zei Aran bijna net zo hard. Het zweet stond op zijn voorhoofd en dat had niets met de zwoele hitte van de zomernacht te maken. Wat ze stonden te doen, was hartstikke illegaal. Als ze betrapt werden, konden ze weleens jarenlang achter de tralies verdwijnen.
‘Help mee!’ snauwde Susanne. Ze sjorde en plukte en viel bijna achterover.
Aran controleerde of zijn lieslaarzen goed vastzaten en waadde verder het water in, tot hij voorbij Susanne bleef staan. Hij knipperde met zijn ogen. Het zware vuurnet – zo genoemd omdat het ideaal was om vuurvissen mee te vangen – was achter iets groots blijven haken. Iets groots en groens.
‘Zie je iets?’ vroeg Susanne. Kippig probeerde ze langs hem te kijken.
‘Ik weet niet wat dat is…’ Aran waadde door tot hij niet verder kon zonder zijn laarzen vol te laten lopen. Hij trok voorzichtig het net naar zich toe, hijgend van de inspanning. Twee keer kromp hij in elkaar toen hij een geluid hoorde, maar het waren slechts bufdillen die verderop het water in plonsden. Daar had hij weinig van te vrezen.
Eindelijk kon hij het zware ding beter zien. Het leek wel ingepakt te zijn in iets groens. Net op het moment dat hij het herkende, zei Susanne achter hem: ‘O, schijt.’
Met een ruk keek hij om.
Susanne was nergens meer te bekennen.
Aran maakte zichzelf klein, waarbij het water onmiddellijk zijn laarzen in stroomde. Hij drukte het lijk onder water en hield zijn adem in tegen de stank van het water waar hij nu nog maar net met zijn hoofd bovenuit kwam.
Op de kade liep een veldwachter rond. De zachtgele lamp waarmee de vrouw rondscheen, was niet sterk genoeg om Aran te bereiken. Dat was zijn geluk. De veldwachter bleef enkele zenuwslopende minuten rondhangen, inspecteerde voetsporen op de kant, schreef iets op en liep uiteindelijk toch weer verder.
Aran ademde opgelucht uit. Voorzichtig kwam hij omhoog. Daarna liet hij ook het lijk weer naar boven komen. Hij veegde de lange haren weg van het hoofd. Het maanlicht kwam achter de wolken vandaan en toonde hem een gezicht dat hij kende. Geschrokken liet hij het lijk los.
‘Ha!’ fluisterde Susanne triomfantelijk. ‘Je hebt ’m los gekregen! Wat was het?’
Hij kon natuurlijk lastig antwoorden: Jouw beste vriendin, die volgens jou vorige week op vakantie was gegaan.
‘Niks hoor! Gewoon een stuk boomstronk,’ antwoordde hij.
‘Nou, kom je nog? Je staat in de weg.’
‘Zeg, schat?’
‘Wat?’
‘Wanneer komt Linda terug van vakantie?’
Susanne bleef even stil. ‘Dat weet ik niet. Wat maakt dat nou weer uit?’
Aran sloot kort zijn ogen. Dit moeras stikte van de bufdillen. Als hij niets deed, zou het lichaam over een paar dagen volledig opgevreten zijn. Zelfs de kleding die er nog aan hing vraten die beesten op. Als hij niets deed, zou zijn vrouw wegkomen met moord – want dit was moord geweest. Het mes stak nog uit de borst. En zijn vrouw loog, want dat was het mes dat hij die ochtend kwijt was geweest. Hij had het herkend.
‘Weet je,’ zei hij, in een vlaag van obstinate idioterie, ‘dat hier weleens een lijk is gevonden? Was helemaal vanaf de rivier aan komen drijven.’
‘Wat, hier?’ Susanne snoof. Ze waadde een stuk verder, maar mopperde toen er water in haar laarzen kwam. Ze was een stuk kleiner dan hij. ‘Dat kan toch niet, man.’
Hij nam een beslissing. Aran gaf een forse duw tegen de dode, die wegdreef en een eindje verder met een ruk onder water werd getrokken. Hij huiverde. Lijkenpikkers, die bufdillen. Van de levenden moesten ze gelukkig niets hebben.
‘Wat doe je daar toch?’
‘Mezelf afvragen waarom ik ben gaan nachtvissen met een vrouw die nachtblind is.’ Aran trok het net naar zich toe, schudde het uit en wierp het uit, een eindje opzij, zodat het niet tussen de lijkenvretende hagedissen terecht zou komen. Er walmde een stank naar hem toe van rottend vlees.
Met enkele behendige bewegingen haalde Aran even later het net binnen. Er spartelden zes vuurvissen in die zo lang waren als zijn onderarm en net zo vurig rood als een vlammende open haard. Aran had het geduld niet om een schepnet te halen. Hij vouwde het grote visnet om de beesten heen en met een kreun hing hij het over zijn schouder. De vissen spartelden en sloegen zijn rug en billen blauw met hun staartvinnen.
‘Wat doe jij nou?’ De ogen van Susanne waren groot.
In de verte flitste het lampje van de veldwachter weer aan.
‘We moeten opschieten,’ zei Aran. ‘Kom op.’ Plonzend en druipend waadde hij de poel uit. Met Susanne achter hem aan, die de spullen droeg die ze tijdens de korte inspectie van de veldwachter kunstig had verstopt, haastte hij zich het moeras uit. Zes vuurvissen. Dat zou genoeg opbrengen om een paar maanden van te leven met z’n tweeën – of om Susanne op weg te helpen.
‘Ik wil scheiden,’ zei hij, toen ze eindelijk weer naast elkaar op een voetpad konden lopen.
De vissen waren opgehouden met spartelen. Ze hingen slap en zwaar in het net.
Susanne zei niets.
Aran vroeg zich af of ze ooit zou beseffen dat hij wist dat ze een moordenaar was.
