In de serie “scène uitgelegd” nemen we steeds een ander fragment uit een van mijn boeken onder de loep. Wat gebeurt er? Wat kun je uit de tekst halen? Waarom heb ik dat zo opgeschreven?
Dit keer een fragment uit Marlan de vervloekte tuinkabouter, uit hoofdstuk 5: Hoop en vrees
Steeds weer wisselden wanhoop en vastberadenheid elkaar af. Hij wist ervan. Hij kon iets doen.
Hij was een tuinkabouter die versteend was in de kamerplant van de grootste verrader die de regionen in eeuwen hadden gekend.
Het suizen en tollen van zijn eigen emoties ging zo heen en weer dat hij pas doorhad dat Urran de kamer verliet toen hij plotseling ontsteende.
Knipperend met zijn ogen helde Marlan voorover. Hij was scheef in de potgrond geland, waardoor hij nu over de rand van de pot helde. Zijn reactie was te traag. Als tuinkabouter van vlees en bloed moest hij zijn evenwicht bewaren; hij had zijn been moeten verplaatsen. Toen hij dat niet deed, deed de zwaartekracht het voor hem.
Hij donderde voorover de pot uit.
Marlan slaakte een gilletje en landde met een klap op het marmer. Een scherpe pijn trok door zijn arm. Jammerend ging hij rechtop zitten, wrijvend over zijn beurse korte beentjes. Voorzichtig wiebelde hij met zijn voeten.
Hoewel alles zeer deed, voelde het niet erg beschadigd aan. Hij was zo lomp op zijn zij terechtgekomen dat hij het gewicht verdeeld had over zijn hele lichaam. Dat was waarschijnlijk zijn redding geweest.
Stijfjes stond hij op, aftastend of het echt allemaal meeviel. Nu al kon hij blauwe plekken op zijn onderarm ontdekken, als hij zijn mouw omhoog schoof. Er leek echter niets te zijn gebroken.
Marlan keek naar de ramen. Het licht nam snel af. Het werd donker. Het was de vraag hoeveel tijd hij had.
Hoe dan ook moest hij deze kamer uit zien te komen.
Mistroostig keerde hij zich naar de deur. Die zat potdicht, de klink had net zo goed in de wolken kunnen hangen. Toen hij zag wat er onder in de deur zat, begon hij echter ongelovig te grijnzen.
Urran wilde kennelijk dat zijn kat altijd naar hem toe kon komen. Logisch, als dat zijn contactpersoon was. De tovenaar had nooit aan een tuinkabouter hoeven denken.
Marlan staarde een hele poos naar het vierkante houten ding dat onder in de deur was gemaakt. Daarna liep hij erheen. Zacht duwde hij ertegen. ‘Een kattenluik,’ fluisterde hij.
Achter het luikje lag een stille, met lampen verlichte gang.
Marlan dook onder het luikje door en hoorde het hout achter hem op zijn plaats terugschuiven. De grijns ging niet meer van zijn gezicht.
Wat kun je doen als je een tuinkabouter bent? Niet veel, zou je denken. Marlan is echter geen gewone tuinkabouter. Tegelijkertijd is hij wel net zo klein en – als hij in het zicht staat – van steen. Pas als er niemand is die hem kan zien, verandert hij weer in een kabouter van vlees en bloed. En dat is fijn, maar niet als je net uit je evenwicht op het randje van een hoge bloempot bent beland. Want dan val je daar dus uit…
Marlan verwacht niet dat hij weg kan komen, maar hij heeft geluk. Zijn vijand, bij wie hij per ongeluk thuis is beland, heeft een wel heel erg handig dingetje voor een kat – en voor een tuinkabouter! Een kattenluik is veel meer dan waarop Marlan had durven hopen. Hij maakt er gretig gebruik van.
Het is niet Marlans keuze om een held te zijn. Het was ook niet zijn keuze om een tuinkabouter te worden; dat heeft hij te danken aan een mislukte aanval met tovenarij. (Hij had eigenlijk dood moeten zijn. In dat opzicht had hij mazzel…) Nu hij iets heeft ontdekt wat gruwelijke gevolgen kan hebben, móét hij wel iets doen. Dat weet hij. Maar hij is een tuinkabouter! Dat besef komt vaak bij hem terug. Hij baalt enorm. Hij vindt het maar niks. Hij wil niet. Toch gaat hij altijd door… Marlan is niet zomaar klein te krijgen. (Althans… figuurlijk niet.)
Meer weten over Marlan de vervloekte tuinkabouter? Kijk dan eens hier: Publicaties
Het boek is te koop als e-book en paperback. Ook te vinden in de bieb en bij Kobo Plus.

