Schrijfprompt: Bijzondere boekwinkel

Bij het onderdeel “Schrijfprompt” laat ik me overal en nergens inspireren om een schrijfprompt te creëren, die ik vervolgens gebruik om er een kort verhaal van te schrijven. Meedoen? Gebruik de prompt en werk je eigen verhaal uit!

De prompt van deze keer: Een boekwinkel aan het einde van de wereld. De eigenaar is de laatste (onsterfelijke) elf.

Je leest dit verhaal het beste als pdf – dat kan hier: DOWNLOAD HET VERHAAL

Geen zin om te downloaden? Hieronder vind je het verhaal ook – maar enkele opmaakmogelijkheden (zoals inspringen) zijn lastig op deze website.

Schrijfprompt: Bijzondere boekwinkel

Ze noemden het het einde van de wereld, maar Sinadopolos – Sid, voor het gemak – wist niet zeker of het na zijn boekwinkel wel echt ophield. De weg hield op, ja. De grond ook. De lucht ook. Als hij naar buiten keek door het raampje in zijn achterdeur, staarde hij recht in de inktzwarte duisternis van het onbekende universum. Geen sterren. Geen planeten. Slechts ongekende leegte.

‘Hé, Sid!’ riep Rinda vanaf de deurmat. ‘Waar hang je uit?’

‘Ik kom al, ik kom al.’ Sid trok zijn blik los van de oneindige inkt, stommelde door het volgestouwde gangetje naar de voorzijde van het pand en liep langs zijn toonbank de winkel in. Hij wist een glimlach te produceren die zijn perfecte, hagelwitte gebit toonde. Achtduizend jaar oud en geen tand verloren. In tegenstelling tot Rinda, want zij lachte breed terug, maar bij haar ontbraken er drie voortanden.

‘Ik ga jou blij maken vandaag!’ zei Rinda. Ze kwam de winkel verder in, voorzichtig, want ze was een behoorlijk grote trol. Ze droeg een oude jas met heel veel zakken over een verfomfaaide blouse en een groene broek. Haar blote voeten zette ze behoedzaam neer op de oude vloerplanken. Haar grote ogen glinsterden van opwinding. ‘Weet jij nog dat Joffer Jones driehonderd jaar geleden van de wereld af vloog?’

‘Hm-hm,’ humde Sid, die slechts half luisterde. Rinda zei wel vaker dat ze hem blij kon maken, maar hij moest de eerste keer nog meemaken.

‘Hij is teruggekeerd!’ bulderde Rinda.

Nu hield hij toch op met het opsnorren van de kookboeken die Rinda had besteld. Met vier boeken op zijn toonbank, dubbel zo groot als normale boeken, staarde hij haar aan, vergeten dat hij nog meer moest pakken. ‘Wat?’

‘Joffer Jones, die achterlijke astronaut. Hij is terug.’

‘Hij was niet achterlijk, hij was roekeloos.’

‘Nou, blijkbaar was hij een genie.’

‘Leeft hij nog?’

‘Nou…’ Rinda krabde over haar hoofd. Er stonden slechts drie haren op haar rimpelige schedel. ‘Dat niet.’

‘Wat moet ik dan met deze informatie?’

‘Zijn ruimteschip is terug,’ zei Rinda, ‘met hem erin. Dat betekent…’ Ze hield een hand naast haar wang alsof ze moest fluisteren zodat niemand haar kon horen, maar ze waren de enigen in de wijde omgeving. ‘… dat er méér is daar in dat zwart.’

‘Voor zover ik het kan beoordelen, betekent dat alleen dat de aandrijving van een stokoud ruimteschip prima is blijven functioneren en dat de natuurkundige krachten die daar,’ hij wees met zijn duim over zijn schouder naar de achterkant van zijn winkel, ‘gelden, ervoor hebben gezorgd dat het ding terug gekatapulteerd werd naar hier. Rinda, dat zwarte spul kan wel een enorm opvangnet zijn. Een soort hangende trampoline.’

Rinda trok haar neus op. ‘Jij bent ook niet snel tevreden.’

‘Wil je je bestelling nog?’ Toen hij haar norse gelaat zag, zei hij er snel achteraan: ‘Het kookboek van Garkan zit erbij. En de nieuwe Kittig koken.’

‘Oeh!’ Rinda vergat dat ze bijna chagrijnig was geworden en kwam naar de toonbank toe.

Vijf minuten later was ze de winkel uit. Sid liep achter haar aan, keek door het venster van de deur en zuchtte. Er was slechts één weg die naar zijn winkel leidde: de Laatste Weg. Die was magisch en slingerde door meerdere universa, werelden en landen. Het uitzicht van Sid werd bepaald door de locatie van de dichtstbijzijnde klant en dit keer zag hij de vurige magmaputten en bubbelende lavastromen van een van de onderwerelden. Een figuur met een zeis kwam te paard aandraven. Het paard was weinig meer dan een skelet met lichtgevende ogen.

De figuur met de zeis liet zijn paard buiten achter en knikte Sid toe, die de deur voor hem openhield.

‘Hein,’ zei Sid.

Magere Hein huiverde en trok zijn zwarte, gerafelde mantel strak om zijn lichaam. Hij had een bleek gezicht. Zijn zeis plaatste hij bij de kapstok tegen de muur. ‘Gehoord van Joffer Jones?’ vroeg hij.

‘Rinda vertelde zoiets.’

‘Zo kwam ik aan mijn baan. Mijn voorganger liet hem gaan. Weet je hoelang ik erover heb gedaan om die rotzak op te sporen?’

‘Wat zit daar, Hein?’ Sid trok een doos onder een schap vandaan, plantte dat boven op een volgepropte tafel en opende de flappen. Het waren allemaal liefdesromans, de meeste met roze kaften en sierlijke krulletters. Hein dook er meteen in. ‘Achter het zwart, bedoel ik.’

‘Niets. Daar houdt de wereld op.’

‘Ja, dag. Ik ben ouder dan jij. Wie houd je voor de gek?’

Hein keek geïrriteerd op, maar Sid was niet bang van het ziedende vuur in zijn blik. ‘Je weet dat je eraan gaat als ik mijn zeis op je gebruik. Onsterfelijkheid heeft ook grenzen.’

‘Je weet dat je dan een nieuwe baan kunt zoeken. Misschien eindig je wel hier.’

Dat vooruitzicht deed Magere Hein rillen. Hij blies zijn adem uit, veegde de rookwolkjes weg en doofde de vlammetjes die de flappen van de doos te pakken hadden gekregen. Hij vergat soms dat hij een demon was. ‘Alle universa zitten uiteindelijk aan elkaar vast in een grote, enorme knoop,’ zei Hein. ‘Deze wereld houdt op na jouw boekhandel. Hierachter begint de tijd opnieuw en kom je uit bij een heelal dat nog geboren moet worden. Ze wachten er op de oerknal.’ Hein klakte met zijn tong. ‘Kan morgen gebeuren, kan ook nog een paar miljoen jaar duren.’

Sid gaf geen antwoord. Miljoenen jaren. Dat was erg lang, zelfs voor hem.

‘Het lijk van Joffer Jones heeft eeuwenlang rondgezworven in een gebied zonder zwaartekracht, zonder tijd, zonder magie, zonder alles. Zijn schip is terug geslingerd door krachten die zelfs mij te boven gaan,’ zei Hein. ‘Weet je zo genoeg?’

Sid knikte. ‘Dank je.’

‘Houd het voor je. We hebben geen behoefte aan toerisme.’

‘Geloof me, ik heb het zo al druk genoeg. Die drie?’

Hein had drie beduimelde paperbacks uit de doos gehaald. De een was nog zoetsappiger dan de ander. Net toen hij wilde betalen, zoemde er iets in zijn mantel. Zijn gezicht betrok toen hij zijn ogen sloot en de opdracht telepatisch ontving. ‘Jakkes,’ zei hij zacht. ‘Massamoord. Pak het maar in, Sid, ik kom er voorlopig niet aan toe.’

Snel stopte Sid de drie boeken in een zakje, deed er een plakbandje op en gaf het aan Hein. Die haastte zich naar de kapstok, griste zijn zeis mee en vertrok.


Die avond zocht Sid een tuinstoel op, sleepte die naar buiten en ging met zijn rug naar het zwarte niets zitten. Aan de voorkant van zijn winkel keek hij op dat moment uit op een straat in een mensenwereld. Een boekhandelaar kwam aarzelend aanlopen, met een hond aan de lijn en een lijstje in de hand. Sid glimlachte. Hij vond het leuk om collega’s te leren kennen en dit was duidelijk iemand die geen idee had waarin ze terechtkwam, maar ze moest dol zijn op boeken. Alleen echte boekenliefhebbers vonden de weg naar zijn winkel.

Hij was benieuwd welk boek hij aan haar zou verkopen.